Robbert Fossen en Peter Struijk: De wederzijdse intuïtie van de Nederlandse erfgenamen van de Delta Blues

Interview met Robbert Fossen en Peter Struijk. Tekst door Frank Hurkmans met foto’s van Hen Metsemakers, José Gallois en Arjan Vermeer.

Wij arriveren rond 16:15 voor het interview met Robbert Fossen & Peter Struijk. Dit duo dat het dit jaar tot de finale bracht van de befaamde ‘Internationale Blues Challenge’ in Memphis, heeft zich ontwikkeld als prominente erfgenamen van de Mississippi- en met name Chicago Blues.
Over hun gezamenlijk optreden waren de heren meer dan tevreden en het Moulin Blues Café zat goed vol tijdens beide sets. Sailliant detail is dat Ospel zelfs met twee navigatiesystemen soms lastig te vinden is. De heren waren ondanks deze moderne technologie net op tijd voor hun optreden.
We voelen ons een beetje opgelaten omdat we het optreden van dit illustere duo niet konden bijwonen; alleen dat mocht de pret niet drukken. We ontmoeten elkaar in de backstage bar van Moulin Blues waar Robbert net een bakje frietjes verorbert en Peter ons trakteert op een glas bier. Het interview ontaart eigenlijk direct in een gesprek waarin Peter en Robbert elkaar voortdurend plagen, uitdagen  en aanvullen…

Hoe is jullie optreden verlopen?
Robbert: ‘Heel goed eigenlijk, de tent zat bij beide sets goed vol. Bij de laatste set helemaal vol. Ik ben hier, ik meen in 2008, ook al eens geweest. De tent was toen veel kleiner. Ik had deze grote tent niet verwacht. Prima geluid, prima omstandigheden. We hebben heerlijk gespeeld.

En nu dadelijk weer naar huis?
We kijken wel; we hebben de tijd aan ons zelf. Het is mooi weer en hier lopen veel bekenden rond; dat is wel grappig. Muzikanten, bookers, de radio; de hele Nederlandse blues scene loopt hier zowat rond.

Mogen we een paar foto’s schieten?
‘Is goed’ zegt Robbert. ‘Dan sta je er mooi op met patatje Robbert’ vult Peter aan. Gewoon authentiek en jezelf blijven. Peter krijgt nog wat fotogenieke tips van Robbert: ‘Kijk nu toch eens beetje vriendelijk joh’.

Wat maakt jullie twee in deze samenstelling uniek? Als mensen, als muzikanten …? Jullie hebben toch iets met elkaar?
‘Ja, ja … Eh,  wat zo een contact advertentie al niet kan doen Peter!’ Robbert denkt even na: ‘Weet je, blues zoals wij dat benaderen, en daar zit al een soort overeenkomst in,  je kan het repeteren, je kan  het oefenen, maar als je in de basis al merkt dat je elkaar heel erg aanvoelt, eigenlijk vanaf dag 1 al, en waarin dat je dus niets hoeft af te spreken en er ruimte is voor spontaniteit, dan heb je een soort klik’. ‘Ik moet zeggen ik vind het zelf comfortabel om met een band te spelen met een bassist en drummer. Alleen als duo, als ik wel eens opnamen terugzie dan zie ik dat er ruimte is en op het moment dat ik denk oh oh nou valt er een gat dan is Peter er. Bijvoorbeeld: als ik zing en ik ga een harmonica solo spelen dan weet ik zonder dat daar ooit iets over afgesproken is hij de begeleiding precies zo oppakt zoals dat  moet. En dat geeft vrijheid, vrijheid waar je normaal meerdere muzikanten voor nodig hebt. In een duo is dat wat kaler en uiteraard spannender. Want als het niet klopt is het meedogenloos’.

Peter vult aan: ’Ik denk dat het vooral komt doordat we nog nooit gerepeteerd hebben en er gewoon op getraind zijn erg goed naar elkaar te luisteren en op elkaar in te spelen. Datzelfde dat Robbert vertelt geldt ook voor mij: als ik ga soleren dan is het ook belangrijk dat er een goede basis overblijft en dat heb je gewoon niet met iedereen. Die muzikale klik is redelijk zeldzaam.  Vaak hoef je niet eens naar elkaar te kijken. De manier hoe een snaar aangeslagen wordt; dan weet je al waar het naartoe gaat’.

‘Zoals vanmiddag, dan ga ik een bepaalde kant op en dan denken de mensen, zooo dat hebben die gasten goed gerepeteerd maar dat is dus niet zo. Wij repeteren nooit, want dat werkt niet in onze benadering. We hebben geen repetities, normaal gesproken geen set list, dan kijken we elkaar aan van wat gaan we nu doen? Gewoon die spontaniteit; de ene keer duurt een nummer drie minuten en de andere keer zeven minuten. Daardoor wordt het nooit saai. We hebben natuurlijk wel ons standaard repertoire en we hebben dezelfde mensen waar we allebei naar luisteren. De oude Chicago gasten; dus ook al ga je iets anders doen, dan voel je dat gewoon aan omdat we dat idioom gezamenlijk hebben’.

IMGP3836

Die oude Chicago gasten… Peter, wat zijn jouw grote voorbeelden?
Peter: ‘Mijn echte grote voorbeelden komen uit de Mississippi stijl. Robert Johnson, Son House, Tommy Johnson en andere van die oude delta jongens. De Mississippi stijl is eigenlijk hetzelfde als de Chicago blues. Die gasten zijn op een gegeven moment naar Chicago toe gegaan. Muddy Waters was gewoon een delta blues muzikant. In Chicago was gewoon meer geld te verdienen. Muddy speelde van die open stemmingen, open G, en dat doe ik ook nog steeds. Toen die mannen naar Chicago gingen zijn ze op een gegeven moment elektrisch gaan spelen, omdat het een andere sound was. Voor mij is het echter nog steeds hetzelfde.  Dat gevoel is hetzelfde; het enige verschil is dat bij de oude stijl er meer vrijheid is; geen standaard schema’s. Wij spelen ook niet alleen standaard schema’s, wij doen ook wel afwijkende dingen, maar die oude Mississippi stijlen, het ene coupletje was 9 maten en het tweede kon 13 maten zijn; dat was toch iets losser. Maar dat is erg lastig als je dat samen met anderen wil spelen.’

Robbert vult aan: ‘Als je alleen bent heb je natuurlijk alle vrijheid. In een duo heb je een redelijke vrijheid, maar met een band moet je elkaar alweer meer aanvoelen en zaken afspreken. En dat is ook zo met de drummer en de bassist waar wij mee samenspelen, Eduard Nijenhuis en Jan Markus. Eduard voelt alles heel goed aan. Alle vrijheid die wij pakken, ja hij weet dan heel goed wat er gebeurt.’ Peter zegt, lachend: ‘Die hebben we wel een beetje op moeten voeden. Serieus, toen we begonnen, we waren helemaal weg van hun muzikaliteit, maar dan speelde ik iets afwijkends en dan vroeg Eduard: welke maat is dat; hoeveel tellen zijn dat? En dan zei ik: weet ik veel, gewoon luisteren. Ik voel dat inderdaad en dat is toch een andere benadering. Dat heeft ie nu veel meer en veel beter. Hij heeft het nu te pakken en raakt dat niet meer kwijt.; Robbert: ‘Die jongens wilden dat graag leren en stonden er voor open. Dat is natuurlijk een perfecte grondhouding. Tegen de bassist zeiden we: je doet wat teveel; doe gewoon zo min mogelijk, hou de grondtoon als basis, dan benader je wat de bedoeling is. Minder is soms meer in de stijlen die wij spelen. Het is alleen begeleiden dat we van Jan en Eduard vragen: geen uitgebreide drumstellen, effectpedalen en bassolo’s. Zij zijn inmiddels de perfecte ritme-sectie voor onze stijl.

Peter vervolgt: ‘Dus mijn voorbeelden zijn eigenlijk de Mississippi gasten. Maar wat betreft de Chicago muzikanten zijn het met namen Magic Sam, Jimmy Rogers, Muddy Waters, Eddie Taylor. Nou mag jij Robbert …’. (Robbert geniet nog net van zijn laatste stukje patat)

‘Voor mij is het voornamelijk de na-oorlogse Chicago blues. De Chicago club sound uit de jaren zestig, zeventig en tachtig en wat minder bekende muzikanten. En daarnaast natuurlijk Muddy Waters,  Magic Slim & The Teardrops, Buddy Guy, Junior Wells; die echte rauwe Chicago blues.’

Wat was er zo speciaal aan die Chicago clubs?
‘In de jaren zeventig waren er veel clubs in Chicago. En daar speelden veel lokale muzikanten. Die hadden een bepaalde sound, simpelheid, speelden op goedkope apparatuur. Ouwe troep en gewoon wisselende samenstellingen; niks gerepeteerd. Veel van die muzikanten hadden hun roots in Mississippi. En ook niet onbelangrijk: spelen in die clubs betekende ook gewoon geld verdienen. Dat is natuurlijk ook Amerika. In die clubs verdienden ze naast het werken in die smerige fabrieken een extra centje bij. Zo simpel was het ook wel weer.’

Zijn jullie daar zelf geweest; in die wijken en in die clubs?
Peter is er wat vaker geweest dan ik. Peter: ‘Vroeger was het anders. Dat was voor mijn tijd (helaas). Ik kom gemiddeld twee keer per jaar in Chicago. Als je als toerist naar Chicago toe gaat en je komt downtown dan is er eigenlijke geen ‘rete’ blues aan. Je hebt een paar commerciële toeristenclubs, Buddy Guys’ Legend, Kingston Mines, dat soort clubs. Daar zie je bijna geen echte blues meer. Die tijd is geweest. Als je nog echt blues wilt zien dan zijn er nog een paar kleine zwarte clubs maar daar kom je normaal gesproken gewoon niet. Daar kom je überhaupt niet binnen, dat zijn gesloten clubs. Als je daar aanbelt gaat het luikje aan de deur open en dan gaat het weer dicht … Ik ben bevriend met Tail Dragger. Meestal logeer ik bij hem. En als je dan met zo iemand samen bent dan kom je dat soort clubs wel binnen. In de echte zwarte clubs. Die zijn er ook niet veel meer, maar ik heb dus met Tail Dragger in die clubs muziek mogen maken. Dat is echt super kicken.

Hoe wordt er dan op jou als ‘bleekscheet’ gereageerd?
Dat vinden ze prachtig daar. Ik dacht dat in het begin ook: wat doe ik hier? Ze staan je te filmen; echt geweldig. En die zwarte vrouwen die worden al helemaal gek … (nu volgt een stukje dat ik  niet meer zo goed kan reproduceren – red.). Mind you: je maakt wel wat dingen mee daar. De wat mindere dingen, geweld … Het is niet altijd fijn volk zeg maar. Je moet gewoon uitkijken daar. Soms zijn er schietpartijen; ik heb meerder keren indirect een schietpartij meegemaakt. Ik werd een keer wakker van schoten op de hoek van de straat; iemand zo maar overhoop geschoten; onderweg naar een club heb ik een slachtoffer zien vallen. Net een film soms. Het is echt anders daar. Ik kan normaal de eerste nacht niet slapen als ik daar ben, dan kijk ik vaak tv: daar meldde ze laatst toen ik er was dat in die maand al 49 moorden in Chicago waren gepleegd. Je komt ook op plekken waar gewoon helemaal geen blanken zijn. Dan moet je echt iemand bij je hebben anders gaat het niet goed. Ik heb zelfs een keer meegemaakt dat een zwarte man mij kwam waarschuwen voor wat ik noem omgekeerd racisme. Toen ben ik beschermd door andere zwarte mensen die me goed kenden en de andere overtuigden dat ik oke was …’.  Robbert deelt zijn ervaringen ook: ‘In 2004 wou ik naar de Zuidkant van Chicago en vroeg de zwarte taxi chauffeur of ik dat wel zeker wist. Blanken hadden daar niks te zoeken. Daar was zo een oude blues club. Er zijn zwarte taxi chauffeurs die daar überhaupt niet naartoe gaan. Het is daar  niet veilig. Ik ben er wel van ’s avonds 10 tot in de ochtend half vier bezig geweest. Ik was de enige blanke. Het relaas is wel dat deze clubs er steeds minder zijn; het sterft uit.’

Ok. Maar dan denk ik: over 20 jaar bestaat die heel Chicago blues niet meer? Of zie ik dat verkeerd?
‘Die muziek blijft bestaan, maar inderdaad, die generatie is dan definitief voorbij’ vertelt Robbert. Er zijn er niet veel meer die direct de link hebben naar die na-oorlogse periode. Die toeristenclubs blijven wel bestaan, maar dat is niet die authentieke muziek meer uiteraard. Als je iemand als Tail Dragger zijn verhalen hoort vertellen, dan realiseer je je dat. Toevallig staat op zijn laatse cd een interview met hem van een minuut of twintig, dan vertelt ie veel van de jaren zeventig. Ik zat van de week te luisteren en, ik ken hem goed; we gaan binnenkort weer met hem spelen. Toen realiseerde ik me dat hij eigenlijk een van de laatste actieve muzikanten is die die verhalen kan vertellen en uit de eerste hand heeft meegemaakt. Ik ben enorm trots dan ik met zo een man muziek mag maken.’ Peter: ’Het is wel apart. Ik logeerde bij hem en ik kende hem niet eens. Het was via via geregeld. Ik wist helemaal niet wie Tail Dragger was. Nu heeft hij met mijn cd mee gedaan; echt geweldig. Ik heb regelmatig tourtjes gedaan met Tail Dragger. En ook hier is er sprake van dezelfde chemie die we eerder bespraken. En als Tail Dragger bevestigt naar ons dat hij dat ook heeft; man dat is de mooiste bevestiging die je kunt krijgen. Als hij zich comfortabel voelt over de wijze waarop wij spelen, ja wat wil je dan nog meer?’ Peter: ’Op onze nieuwe cd schrijft de ex-gitarist van Muddy Waters, Rick Kreher, dat de Chicago blues eigenlijk niet meer bestaat en dat het wel heel apart is dat wij blanke Nederlanders laten horen hoe je de Old School Chicago Blues speelt.

Wat wordt jullie volgende muzikale stap?
Robbert: ‘Onze laatste cd wordt internationaal uitgebracht op een Belgisch label. Binnenkort komt Tail Dragger voor een optreden naar Nederland. De echte reden dat hij komt is dat hij getuige is op mijn bruiloft; ik ga eind van de maand trouwen. Ik ben heel trots dat Tail Dragger mijn getuige zal zijn. Hij is eigenlijk de laatste link naar een tijdsbeeld, dat niet meer bestaat en nooit meer terugkomt. De emotie erachter is lastig uit te leggen; maar daarom is het voor mij erg belangrijk.
Peter: ‘Mijn solo cd komt binnenkort uit. Robbert speelt daar ook weer op mee plus verschillende muzikanten uit Chicago. Ik denk dat we aardig op weg zijn.’

Wat is jullie ultieme ambitie?
‘Dit blijven doen en dan ook buiten Nederland. Er zijn optredens gepland in Zwitserland en Italie en eind van het jaar in Denemarken. Eigenlijk: het blijven vertellen en voortbrengen van deze muziek. Er is bijna niemand meer die Chicago blues speelt’.

Als ik er van een afstand naar kijk zijn jullie dus de muzikale erfenis over aan het nemen van een muzieksoort aan de andere kant van de wereld?
Robbert: ‘Er heeft inderdaad een journalist een poos terug geschreven dat wij de vaandeldragers zijn van de Chicago blues in Nederland. Dat moet dan maar zo zijn. Ook in Memphis hebben we de Chicago  blues niet gehoord onder de 256 bands die deelnamen aan de International Blues Challenge. Het is niet zo dat in Nederland de telefoon roodgloeiend staat (Peter vult aan: ’Je moet die telefoon ook opnemen als je gebeld wordt joh …). Laatst waren we in Toulouse bij de European Blues Challenge, maar je loopt daar toch wat anders rond. We relativeren ons succes in Memphis maar het helpt wel. We hebben een erfenis voort te zetten zoals je net zelf al aangaf. De realiteit is wel dat veel festivals veel breder boeken en er toch eigenlijk vaak te weinig aandacht is voor de pure blues en roots muziek. Het wordt wel wat beter, maar er is nog een hele weg te gaan’.
Peter: ’Voor mij is deze muziek maken een levenswijze en mijn passie. Dit blijven doen en daar ook fatsoenlijk van kunnen leven is mijn ambitie. Ik ben full time muzikant.’
Robbert: ‘Ik ben naast het leven voor dezelfde passie ook nog werkzaam als teamleider in de zorg. Ik ben wel bezig mijn accent te verleggen richting de muziek’.

Is er verder nog iets wat jullie kwijt willen?
‘Festivals als Moulin Blues zijn geweldig. Echter we maken ons zorgen over de plek die de traditionele blues en roots krijgt. In Memphis en verder in Amerika valt nog veel te halen. Programmeer die bands ook! Connecties met de roots raken verloren. Ik hoop dat de festivals de jonge mensen meer in aanraking brengen met die roots muziek. Onbekend maakt onbemind. Als ze hier op Moulin Blues Tail Dragger op het hoofdpodium neerzetten; man, die breekt de tent af. Zeker weten. Van de andere kant: Moulin Blues bestaat al 28 jaar. Dat is natuurlijk ook fantastisch’.
‘Als je kijkt wat hier heeft gespeeld; dat is enorm. Alleen zijn er veel van die muzikanten niet meer… maar wij nemen de erfenis in ieder geval over’.

Red.: Lees ook ons verslag van het optreden van Robert Fossen, Peter Struijk en Taildragger in De Haagse Hout en de verslagen van Moulin Blues Festival 2013 – dag 1 en dag 2!!

.

Geef hier uw commentaar