David Grissom interview – kid from Kentucky trots op Texas

Exclusief interview met: David Grissom in: Hotel Emma Rotterdam op dinsdag 5 mei 2015. Tekst: Giel van der Hoeven, foto credits: © Greg Vorobiov, René Geilenkirchen, div. bron zoals vermeld.

Soms vraag je jezelf af waarom sommige artiesten een leven lang in de schaduw van andere staan, terwijl ze misschien wel getalenteerder zijn dan hun voorman of -vrouw? Aanvankelijk leek dat voor de Amerikaanse gitarist David Grissom ook op te gaan. En ondanks dat hij al sinds de jaren negentig op eigen benen staat, is dat voor hem in Nederland nog steeds het geval. Hoe valt anders de matige verkoop van het uitstekende album ‘How It Feels To Fly’ (2014) en in deze Europese tour slechts één schamel optreden – Gebr. De Nobel in Leiden – te verklaren? En dat is jammer want de Grissom-sound is zowel op zijn platen als live niet te versmaden. Bovendien tourde en nam David Grissom op met o.a. Lucinda Williams, John Mellencamp, Joe Ely, The Allman Brothers Band, Buddy Guy, John Mayall, Ringo Starr, The Dixie Chicks, Chris Isaak, Robben Ford, The FabulousThunderbirds en zijn eigen band Storyville met daarin SRV’s Double Trouble bandleden! Voorwaar niet de minste in de internationale roots-, rock- en blues scene. En allen maakte ze dankbaar gebruik van deze (import) Texaan zijn diensten. Steeds, zoals we hem kennen in die karakteristiek half gebogen houding, wanneer hij weer eens zo’n weergaloze solo speelt. Volledig één met zijn PRS DGT signature gitaar. Tja, wij hebben nou eenmaal een zwak voor Texaanse gitaristen en we proberen ze dan ook zoveel mogelijk te volgen. In dit kader moet u ook het koffietafelboek The Sound of Austin van fotograaf Mathew Sturtevant maar eens een keer doorbladeren. Hierin is weergegeven hoe Austin en haar muzikanten ook visueel aantrekkelijk kunnen zijn. “Austin is voor mij een opbeurende stad, ik ben blij in de Texas Gemeenschap te zijn opgenomen,” aldus Grissom.


Hallo David, je bent hier alleen even op tussenstop in Rotterdam begrijp ik?

– Ja, deze tour is een soort wervelwind met 24 shows in 29 dagen naar 6 verschillende landen. We komen uit Schotland, hebben Noorwegen gehad en we gaan zo meteen weer naar Denemarken. Maar zondag zijn we weer even terug in Holland voor een optreden hier.

Waarom doen jullie hier maar één optreden eigenlijk, in Gebr. De Nobel in Leiden?
– De tijd was beperkt en de promotor moest het ook allemaal logistiek aan elkaar zien te breien. Daarom rijden we nu van hot naar her, we hebben er al bijna 10.000 km opzitten. Ik ben blij als laatste nog in Holland te kunnen spelen temeer omdat onze drummer Jan Pohl een Nederlander is. Ik had ook graag in Frankrijk en Italië gespeeld, helaas komt dat er allemaal niet van deze tour. Anders zou het ons meer gaan kosten dan dat het oplevert. Maar wellicht dat we volgend jaar weer terug komen.

David & Jan [© foto: Ursula Le Guin 2015]


Hoe verlopen de Europese optredens tot dusver met dit gelegenheidstrio?

– Fantastisch! Zeker als je in ogenschouw neemt dat we elkaar twee dagen voor het eerste optreden in Duitsland nog nauwelijks kende en maar drie uur hebben gerepeteerd. Chris Maresh komt ook uit Austin en hij was bassist bij Eric Johnson. Met hem had ik wel eens eerder gejamd. Ik wilde hem er graag bij hebben omdat mijn vaste bassist Scott Nelson nu met met Kenny Wayne Sheppard aan het touren is. In de VS is Bryan Austin mijn vaste drummer, maar ik kon maar één man meenemen deze tour. Dus ook toetsenist Stefano Intelisano is er nu niet bij helaas. Met drummer Jan Pohl had ik dus nog nooit eerder gespeeld. Hij heeft zich fantastisch voorbereid en is een goeie kerel, “we get along great”. Vergeet niet, het is keihard werken hoor, zes avonden op rij optreden en maar één rustdag. Dat vereist een ijzeren discipline en karakter.

Je groeide op in Louisville, door wie of wat werd je daar als eerste beïnvloed om muziek te gaan maken?
– Eén van de eerste dingen wat me muzikaal heel erg aansprak was de bluegrass revival in de jaren zeventig. Ik luisterde als kind veel naar folk- en country artiesten zoals Norman Blake en Dock Watson. Er was een bluegrass club in mijn woonplaats maar ik was nog te jong om naar binnen te mogen, maar met een valse id-kaart lukte dat soms wel. Ik heb daar heel wat goede artiesten zien optreden waar ik veel van heb opgestoken, ook in de context van blues- en rockmuziek trouwens.

David op zijn PRS DGT [© foto: Corinna Neuauer 2015]


En welke gitarist zette je als eerste aan om ook elektrische gitaar te gaan spelen?
– Dat is ongetwijfeld door het Beatles album Revolver (1966) gekomen. En met name de song ‘Got to Get You into My Life’. Daarin zit een gitaarpartij [hij neuriët de riedel voor – red.] die voor mij zo magisch klonk, dat ik besloot over te stappen van drums naar de elektrische gitaar. Ik denk dus dat het George Harrison geweest is maar dat weet ik niet zeker omdat er tijdens de opnamen nog diverse extra gitaarpartijen aan het nummer zijn toegevoegd. Toen ik aanvankelijk zelf ging spelen kwamen ook Jimi Hendrix en de Rolling Stones in beeld. Mijn eerste gitaarleraar was gek met Hendrix en Keith Richards maar de volgende leraar was weer helemaal into the blues, zoals Magic Sam, BB King en Paul Butterfield. Vervolgens had ik een derde gitaardocent die mij kennis liet maken met muziek van jazzgitaristen als Wes Montgomery en bebopgitarist Kenny Burrell. Het leuke van dat alles was dat niemand in Kentucky het in zijn hoofd haalde om je te vertellen dat je al deze stijlen niet door elkaar zou kunnen spelen. Ik heb het dus over een tijd ver voor de internetblogs en fora waar kids elkaar nu vertellen wat er wel of niet cool zou zijn.


Maar uiteindelijk ben je begin jaren tachtig toch van Kentucky naar Texas verhuisd?

– In Austin gebeurde eigenlijk alles wat me toen aansprak: Lou Ann Barton, The Fabulous Thunderbirds, Joe Ely, The LeRoi Brothers. De singer-songwriter Lucinda Williams kende eigenlijk nog niemand, maar zij was het die me vroeg om in haar band te komen spelen. En na twee weken stonden we al op het New Orleans Jazz & Heritage Festival festival. “It was an eye-opening experience for me!” We sliepen in een hotel met Richard Thompson, Grandmaster Flash en Roy Orbison, en we trokken gewoon als vrienden met elkaar op! Kan je het je voorstellen? Ik, “the kid from Kentucky!”

En nu sta je zelfs vermeld in het koffietafelboek The Sound Of Austin van fotograaf Mathew Sturtevant. Trots?
– Uiteraard! Erg trots. Austin is voor mij een opbeurende stad, ik ben blij in de Texas Gemeenschap te zijn opgenomen.

Koffietafelboek The Sound of Austin van fotograaf Mathew Sturtevant


Door de plaat ‘Live at Liberty Lunch’ (1990) van Joe Ely kwam je nog meer in de spotlampen te staan. Was dat je grote doorbraak in Amerika?

– Ik weet niet of het door die plaat kwam maar optreden met Joe Ely is zeker goed geweest voor mijn persoonlijke ontwikkeling als live gitarist. Joe gaf me, anders dan ik voorheen gewend was, veel vrijheid in zijn band. Dat kon ook door de samenstelling van die band met slechts gitaren, bas en drums. Ik heb zes jaar lang erg prettig met hem gewerkt.

Toch stapte je in 1991 over naar de band van John Mellencamp om de plaat ‘Whenever We Wanted’ op te nemen en om met hem te gaan touren. Waarom?
– Dat was wéér een grote stap voor me maar ook een nieuwe uitdaging. Van de clubs en theaters naar de arena’s en televieshows, zoiets. Ik moest me weer opnieuw waarmaken want ik kwam als groentje immers zijn getrouwe gitarist Larry Crane vervangen die John al sinds 1976 begeleide. Maar John had besloten een koersweiziging in te zetten, niet alleen door “Cougar” uit zijn naam te laten, maar ook om meer stevige heartland rock zonder traditionele instrumenten zoals de viool te gaan maken. En het was echt geweldig om met hem te werken in de studio, hij kan van een drie-akkoorden folksong een te gekke rocksong maken, die gave heeft hij gewoon. Maar drie intensieve jaren met Mellencamp onderweg was genoeg voor mij.

David met Cheryl Crow, John Mellencamp, Storyville, Joe Ely Band w/ Jimmy Pettit & Bobby Keys, Derek Trucks, Warren Haynes [© foto: DG 2014]


Tijdens die Whenever We Wanted tour trad de John Mellencamp Band op 6 april 1992 in het Haagse congresgebouw op. Een optreden waar ik zelf ook als bezoeker aanwezig was. Zou het kunnen zijn dat jij daar ook was? 😉

– Absoluut. Alles van 1991 t/m 1993 heb ik nonstop met John Mellencamp meegemaakt. En ik kan me zelfs dat bewuste optreden nog goed herinneren. De enige show in drie jaar tijd waar het publiek de hele avond bleef zitten in de pluche stoelen. John wist even niet meer hoe hij het had, haha. Want zeker in de VS waren we gewend dat het publiek vanaf de eerste tonen al opstond om mee te zingen. Uiteidelijk in de toegift kwam dat toch nog goed maar het was een vreemde gewaarwording voor ons.

Na een muzikale samenwerking met de Dixie Chicks en succes met je band Storyville kreeg je meer aanzien in de muziekscene. Toch kwam je eerste solo-album pas in 2007 uit. Waarom heeft dat zo lang geduurd?
– Ik had het gewoon té druk met het voor anderen werken. Pas met Storyville ben ik meer zelf gaan schrijven. En na die tijd heb ik veel met verschillende artiesten opgenomen in Nashville. Ik had daar ook een publishing deal maar vreemd genoeg waren de songs die ik voor allerlei country artiesten schreef weer niet geschikt voor mezelf. Na een jaar of zes heb ik besloten om wél voor mezelf te gaan schrijven en componeren. Ik vind het nog steeds prima om in dienst van andere te spelen hoor, maar de meeste voldoening haal ik momenteel toch uit mijn eigen solowerk.


Inmiddels heb je vier solo-albums uitgebracht. Op de laatste ‘How It Feels To Fly’ (Wide Lode Records 2014) staan acht eigen composities maar ook twee live tribute-songs. Waarom is dat?

– Om te beginnen wist ik op de avond dat deze tribute-songs zijn opgenomen aanvankelijk niet eens dat dit zou gaan gebeuren. Toen ik het vernam hadden we zoiets van, laten we dan ook maar gelijk de classics spelen. In 1993 heb ik een aantal maanden Dickey Betts vervangen in The Allman Brothers Band, vandaar ‘Jessica’. En ZZ Top’s ‘Nasty Dogs And Funky Kings’ was één van mijn favoriete songs om te spelen toen ik nog op de Highschool zat. Ook tijdens deze tour verwachten de mensen dat we ‘Jessica’ spelen, maar zonder toetsenist beginnen we daar niet aan. Het moet natuurlijk wel een eerbetoon blijven.

Was Derek Trucks al aanwezig toen je in 1993 met de Allman Brothers Band optrad?
– Warren Haynes, bassist Allen Woody en ik waren de gitaristen in die samenstelling. Ik zag daar toen ook een jochie van 14 jaar op het podium staan en vroeg: “dat meen je niet, ga jij ook met The Allman Brothers meespelen?” Hij zei niets, speelde drie noten en ik was overtuigd! Werkelijk een reïncarnatie van Duane Allman, ik stond perplex na die eerste ontmoeting. Echt ongelooflijk! En ‘the kid’ Derek Trucks is nu nog steeds één van mijn favoriete gitaristen ooit.

David Grissom trio in Red River Saloon 2015 [© foto: René Geilenkirchen]


Je hebt met je solowerk bewezen over een unieke stijl en benadering te beschikken. Zit er alweer een vijfde plaat in de planning?

– Zeker wel, ik schrijf voortdurend. Kijk, ik realiseer me dat ik een bevoorrecht mens ben omdat ik met al die grote artiesten heb mogen spelen. Maar een geweldige gitaarpartij spelen in een geweldige song heeft zóveel meer betekenis voor me dan een “great hook” op een middelmatige song, als je begrijpt wat ik bedoel. Je streeft toch altijd weer naar het schrijven van nóg betere songs. “That’s what excites me!” Ik weet ook dat ik niet de beste zanger ben, maar ik doe het gewoon graag. Mijn zangstem doet jou aan Drive-by Truckers denken zeg je? Dat lijkt me geen belediging, ik ken ze niet persoonlijk maar ik kan me er wel mee vereenzelvigen.

We mochten een paar jaar geleden Eric Steckel interviewen. Hij was toen erg trots op zijn nieuwe PRS signature guitar. Jij was één van de eerste gitaristen die Paul Reed Smith guitars ging vertegenwoordigen. Wat heeft jou daarvan overtuigd?
– Toen ik naar Austin kwam speelde echt iedereen een Stratocaster, ik ook. Maar iets in me zei dat ik eens wat anders moest uitproberen. Ik zag een advertentie van PRS in een muziekmagazine staan en toen heb ik ze benadert. Dat was in de tijd dat ik bij Joe Ely speelde. In combinatie met een oude Marshall versterker ben ik zo langzamerhand onbewust een eigen geluid gaan ontwikkelen. In de studio heb ik altijd verschillende gitaren bij me. Op mijn Les Paul of Strat speel ik op een bepaalde manier ook fijn. Gibson en Fender zijn grote namen met een rijk verleden, PRS niet, dat is eigenlijk nog een onbeschreven boek. Ik denk dat ik dát juist zo aantrekkelijk vindt. Het is altijd lastig om te beantwoorden of je een favoriete gitaar hebt maar de PRS DGT signature is momenteel de perfecte gitaar voor mij [Zie hier een Paul Reed Smith & David Grissom video-interview – red.]

In karakteristieke half gebogen houding [© foto: Shawn Oliveira]


Wat kunnen we in de toekomst verder nog van David Grissom verwachten?

– Volgende week vlieg ik terug naar de VS en dan ben ik tien dagen vrij. Daarna ga ik drie weken met Robben Ford touren en heb ik nog wat sessiewerk te doen. Vervolgens wil ik weer zo snel mogelijk aan mijn vijfde soloalbum gaan werken, dat nu ongeveer voor de helft af is. Verder zou ik volgend jaar graag terug komen naar Europa maar de optredens moeten hier – vooral in Duitsland – zó ver van tevoren worden geboekt, dat ben ik niet gewend. Dus daar ligt nog een schone taak voor mijn agent weggelegd. Maar jullie gaan zeker nog meer van me horen.

Discografie:
2000: Texas Boy (Sky Malone With Double Trouble, David Grissom and Riley Osbourne)
2007: Loud Music (Wide Lode Records)
2009: 10,000 Feet (Wide Lode Records)
2011: Way Down Deep (Wide Lode Records)
2014: How It Feels To Fly (Wide Lode Records)

David Grissom – 2015 Tour:

Full Leiden-show with David Grissom On YouTube:

Geef hier uw commentaar