Joe Louis Walker: belezen, bescheiden en bevlogen [interview]

Joe Louis Walker: een belezen, bescheiden en bevlogen muziekliefhebber en muzikant. Een interview door Ton Kok met foto’s van Pemmy Larmené

Op 8 augustus 2015 had The Blues Alone? een interview met blueslegende Joe Louis Walker in de artiestenruimte van de North Sea Jazz Club in Amsterdam. Dankzij een afzegging door de vertegenwoordiger van een ander medium hadden we ruim de tijd om Joe eens nader aan de tand te voelen, niet alleen over zijn op 9 oktober a.s. te verschijnen _DSC7934nieuwe cd ‘Everybody Wants A Piece’, maar ook over diverse andere onderwerpen.  Met Buddy Guy en Robert Cray vormt Joe de top drie van nog springlevende zwarte blues muzikanten. Na twee sterke albums voor Alligator Records is Joe weer terug op het Provogue label en levert volgens de pers info zijn 25e album af. Tel daarbij nog twee DVD’s en zijn aanwezigheid op twee Grammy winnende albums (B.B. King’s ‘Blues Summit’ en James Cotton’s ‘Deep In The Blues), vier Blues Music Awards (plus nog eens 47 nominaties), zijn opname in de Blues Hall of Fame en het zal duidelijk zijn dat we niet met de eerste de beste te maken hebben.  Na een optreden de vorige dag is hij direct naar het vliegveld vertrokken om vanuit de V.S. via Barcelona op Schiphol te arriveren. Enigszins vermoeid, na slechts twintig minuten rust te hebben kunnen pakken in het hotel, maar zoals hij zelf zegt: “Je hoort mij niet klagen”. In opperbeste stemming, spraakzaam met af en toe een bulderende lach beantwoordt hij uitgebreid op de voorgelegde vragen.

Everybody Wants A Piece’ is de titel van je nieuwe album. Naam mijn mening een logisch vervolg op de Alligator albums. Wat is het grootste verschil?

JLWrecord1

Nou, ik zit op een fase in mijn leven, waar ik het oordeel daarover aan anderen over laat, weet je.  Sommigen zeggen, het klinkt een beetje als ‘Hellfire’, sommigen zeggen dat het klinkt als ‘Hornet’s Nest’ en weer anderen, dat het stevig rockt. Maar mensen vergeten dat ik geboren ben in San Francisco en niet in Chicago. Ik groeide op met het Fillmore Auditorium en hoorde bij wijze van spreken de Yardbirds net zo vaak als Muddy Waters. Ik hoorde daar de echte Fleetwood Mac en nam later op met Peter Green. Het was fantastisch om te spelen met mensen als Fred McDowell en Earl Hooker, maar ik stond net zo makkelijk op het podium met bands als Moby Grape. Het is allemaal muziek voor mij. Ik ben een muziekpurist en geen stijlpurist. Sommige mensen vinden dat je bij een bepaalde stijl moet blijven, maar dat heb ik nooit gewild. Ik speel veel gospel en werk voor het Thelonius Monk Instituut met mensen als Wayne Shorter, Herbie Hancock en wijlen George Duke. Met hen ik ook een band, net zoals eerder met mensen als John Lee Hooker en B.B. King.  Maar de blues is speciaal, het raakt mensen in hun hart. Muziek zonder blues is als taart zonder glazuur. Vanaf het moment dat ik kind was wilde ik al het glazuur. Mijn moeder zei altijd, eet je taart op, maar ik wilde het glazuur, zoet … als de tonen van B.B. King.  ‘Everybody Wants A Piece’, inderdaad, het is een voortzetting van wat ik eerder deed, zoals je zei, maar om eerlijk te zijn, ik zie het gewoon een voortzetting van wat ik ben. Een voortzetting van Joe Louis Walker.

Dit is de vier- of vijfentwintigste album?
Nee, dit is mijn zesentwintigste album. Ik heb trouwens ook veel sessies achter de rug, waarvan de opnames niet uitgebracht zijn.

Spelen je eigen muzikanten mee op dit album? De vorigen deed je met sessiemuzikanten.

Ja, mijn eigen band (Lenny Bradford op bas, Byron Cage achter de drums en Philip Young op toetsen). speelt erop mee. Op de vorige cd’s speelde Reese Wynans mee en we werkten met Tom Hambridge en dat was geweldig. Tom is een fantastische drummer en een fantastische songwriter. We schreven dertien nummers in twee dagen, we speelden wat in ons opkwam tot we het goede gevoel te pakken hadden en maakten ons later pas druk over de rest.

Tom Hambridge is een songwriter, die zich weet in te leven in de muzikanten waarmee hij werkt.

We hebben veel goede songwriters als Tom. Een aantal nummers van ‘Hellfire’, ik weet niet precies welke, zijn eigenlijk geschreven voor Bobby Blue Bland, maar toen die ziek werd heb ik de nummers opgenomen. Ik heb geen idee hoe ze in zijn uitvoering geklonken zouden hebben, maar ik heb ze op mijn eigen manier opgenomen. Ik ben natuurlijk gitarist en heb zeker niet de stem van Bobby Blue Bland. Niemand trouwens.
_DSC7310
Je werkt op dit album samen met Paul Nelson.

Dat klopt ja, hij de co-producer en speelt ook gitaar. Hij is druk bezig met zijn eigen carrière. Hij heeft een platencontract en is bezig met een eigen album. Hij werkt ook nog met anderen en we waarderen het zeer hij ons met dit album heeft geholpen.

Hoe werk je: als je genoeg songs hebt ga je aan een album beginnen of ga je speciaal songs schrijven als er weer een album opgenomen moet worden?

Ik doe het op beide manieren, weet je. Iedereen doet het op de manier waar hij/zij zich het prettigst bij voelt en het best voor hen werkt. Maar veel van mijn favoriete artiesten, zoals de Beatles, gingen gewoon de studio in en speelden alle rock ‘n roll songs, die ze kenden, tot ze het juiste gevoel hadden. Ik hoor dan een nummer als “Lady Madonna” en ben ervan overtuigd, dat ze op dat moment iets van Fats Domino speelden.

_DSC7332

De songs op het album, ik herkende twee covers, “Wade In The Water” en “Man Of Many Words”. De rest is eigen werk?

Er staat ook nog een Taj Mahal song op, die ik graag wilde doen, “Do I Love Her”, niet te verwarren met het gelijknamige Paul McCartney nummer. Hier kon ik heerlijk ‘eerste positie’ harmonica op spelen. Ik hou echt van dit nummer. Ik heb veel van Taj geleerd, maar dit nummer wilde ik op eigen manier doen. En “Wade In The Water” is een kerklied, dat ik graag wilde op mijn manier wilde opwaarderen. We hebben ons geheime wapen gebruikt, Philip (Young) op de Hammond B3. Hij speelt aan het eind een heerlijke, contrasterende partij, die het nummer echt meerwaarde gaf.

Je groeide op in San Francisco en speelde al vroeg met veel grote namen. Hoe was dat?

Nou, dat waren destijds nog geen grote namen hoor. Als ik met Fred McDowell of Earl Hooker speelde, deden we dat voor net zoveel mensen als hier in de kleedkamer. Hoewel Magic Sam toen wel al meer publiek trok.

Daarna stopte je er een tijdje mee?

Nee, dat niet, maar ik verlegde mijn focus. Ik richtte me op gospel. Dat gaf me ten eerste de kracht om mezelf te zijn en ook andere muziek te spelen op mijn manier en ten _DSC7323tweede bewees het me dat ik het muziekgebeuren naast me neer kon leggen. Een hoop mensen springen in de tredmolen met de instelling van ik wil beroemd worden, ik wil anders zijn. Als dat niet lukt voelen ze zich geen mens meer.  Het belangrijkste voor mij is niet het maken van platen, maar mijn kinderen en tegenwoordig mijn kleinkinderen.

Je hebt ook nog een tijdje in Chicago gewoond, maar niet voor lang, begreep ik.

Nee, Chicago, dat was het niet voor mij. Chicago was toen een erg verarmde stad. Er was veel onrust in die tijd. Het was heel anders als waar ik vandaan kwam. We wilden er weer weg naar een andere plaats waar mensen elkaar hun eigen leven laten leiden en je jezelf kan zijn. Ik groeide op in zo’n sfeer waarbij mensen in elke gebied in de stad kon komen, het zwarte deel, het Mexicaanse gedeelte, je kon overal naartoe. In Chicago was het zo, je kunt niet daar of daar naartoe, veel te gevaarlijk.  Ik woon tegenwoordig in het noorden van de staat New York.

Veel gitaristen gebruiken vaak een zelfde merk en type gitaar. Ik zie jou eigenlijk altijd met een andere.

Kijk, en dit zal veel mensen niet echt bevallen, maar voor mij is een gitaar recht stuk hout met snaren. Het geluid wat er uit komt, wordt voortgebracht door je handen en je hart. Dat is het.  Ik sprak daar een paar jaar geleden eens over met B.B. King. Hij gebruikte in het verleden een Esquire, een Telecaster, een Stratocaster, een Broadcaster en een ES335. Maar zoals hij zei: ik klink met elke gitaar hetzelfde: een gitaar maakt niet de man, maar de man maakt de gitaar.  Ik gebruik zelf verschillende modellen. Het is een beetje een cliché, maar het is als een schilderskwast: verschillende kleuren maken verschillende emoties los. Dus daarom speel ik misschien wel vijfentwintig verschillende gitaren op vijfentwintig verschillende albums.  Jimi Hendrix wordt altijd geassocieerd met een Stratocaster, maar hij speelde ook SG, Esquire, Flying V. Hij speelde op alles wat hij in zijn handen kreeg. Maar hij bekend om de Stratocasters, omdat hij die op het podium aan barrels sloeg. Maar wat voor gitaar je hem ook gaf, hij klonk als Hendrix.  Sommige gitaristen als Albert King en Elmore James zag je wel altijd met dezelfde gitaar, maar dan komt vooral omdat ze destijds geen geld hadden om er een bij te open. Maar probeer je Albert King eens voor te stellen met een Les Paul. Dat zou er uitzien als een reus, die een ukelele bespeelt.  Voor hem was de Flying V perfect, ook al omdat hij linkshandig was.  Jimi speelde trouwen rechts even goed als links, maar het zou gewoon raar geweest zijn om hem rechtshandig te zien spelen op het podium.

Wat denk je van de hedendaagse blues?

Het zit op momenteel op een punt van ontwikkeling, waarvan jonge veel jonge muzikanten een statement willen maken met hun visie op de blues.  Het enige wat deze missen is de mogelijkheid om mensen als Lightnin’ Hopkins en zo te ontmoeten. Je kon zoveel meer leren door alleen maar te kijken naar de manier waarop hij speelde. In de buurt zijn van mensen als Mike Bloomfield of met Fred McDowell en Son House rondhangen. Sommige mensen denken dat ze de blues hebben door de juiste noot te spelen, maar het heeft helemaal niets te maken met noten, niets, niks, nada. Het heeft ook niets te maken met moeilijke tijden in de Mississippi delta of zwart te zijn, je hoeft geen honger te lijden. Maar je moet de mensen kunnen overtuigen. Kijk, je kunt de straat op gaan en “Killing Floor” zingen, maar dat deed Howlin’ Wolf destijds toch een stuk beter. Hij was de Blues.  Er zijn best een aantal hedendaagse muzikanten, jonge vrouwen en mannen, die het heel goed doen naar mijn mening, zoals een Ian Siegal, Selwyn Birchwood, Jarekus Singleton of een Joanne Shaw Taylor. Ik hou van hen. Mensen zeuren soms wel eens dat het veel te hard is, maar dat interesseert me niet. Het komt bij hen uit het hart en merken de mensen.

_DSC7308

Heb je in de jaren zestig/zeventig ook opgenomen?

Nee, ik probeerde wel altijd clubs binnen te komen om te spelen. Ik zei dan dat ik Freddie King’s neefje was, terwijl Freddie een eindje verderop naar mijn leugens stond te luisteren. Laat die jongen binnen, zei hij en geef hem een ‘345’ (Gibson ES345). Kan je je dat tegenwoordig voorstellen bij een van de grote jongens tegenwoordig? Dat je zomaar binnen kan komen en meespelen, terwijl ze nog je nooit gehoord hebben?  John Mayall, God zegene hem, deed dat nog wel, maar het is de business tegenwoordig, dat de regels bepaalt en teveel mensen azen op hetzelfde stuk van de taart om verschillende redenen.  Vroeger had je grote namen in de zelfde show, Muddy, James Cotton, Mike Bloomfield met Bob Dylan, toen die op de elektrische toer ging, Paul Butterfield.  Tegenwoordig willen de mensen die competitie niet meer, ze willen op safe.

Jij doet dat nog wel, zoals vorig jaar in Duitsland met Mr. Sipp.

Ik herinner me nog als gisteren hoe het voelde, om met mijn grote helden op het podium te staan, dat was iets magisch. Daarom probeer ik dat in ere te houden.

Vorig jaar had je een etentje met Keith Richard in Australië. Waar praten gitaristen onder elkaar over. Alleen over gitaren?

Ik ken Ronnie (Wood) al ongeveer twintig jaar en Mick (Jagger) een jaar of acht. Ik speelde op een van zijn albums. Met Keith was het zo, dat we elkaar regelmatig mis liepen. Dan hoor je, Keith wil je ontmoeten, hij zit op rij 99 van het stadion, dus het kwam er niet echt van.  Maar in Australië had ik een dag vrij en, eh, ik wilde een song opnemen, die hij geschreven had, “Make No Mistake”, voor mijn volgende album. Hij vond het prima en zei: “It’s alright, make it your own, make it your own”.  Wel, ik ben een groot muziekliefhebber, hij is een groot muziekliefhebber en net als ik leest hij veel. Sommige mensen lezen een boek per dag en Keith is zo iemand. Hij heeft veel meer diepgang dan mensen denken. Natuurlijk spraken we ook over muziek en hij vond het leuk dat ik een van zijn oudere songs, “Ride On, Baby” had opgenomen.  Ik hou van die song. Om een of andere reden breng ik hen (The Rolling Stones) altijd in verband met Otis Redding. Het komt mij voor alsof er bepaalde verbintenis is tussen hen. Zij inspireerden elkaar ook.  Ronnie heb ik trouwens paar dagen geleden nog gesproken.

_DSC7919
Mike Bloomfield was jaren je kamergenoot. Toch kom ik jouw naam niet vaak tegen in boeken en artikelen over hem. Je bent, naar ik aanneem, daar toch wel eens over benaderd?

Jazeker, ik ben daar zo’n tien tot vijftien keer voor benaderd, maar ik heb alleen over hem gesproken met zijn familie. Het punt is, ik wil eigenlijk niet praten over iemand, die er niet meer is om voor zichzelf te spreken.  Hij had een van de grootste rocksterren ter wereld kunnen zijn, maar hij koos daar bewust niet voor.  Hij wilde alleen goede muziek maken en deed er alles voor om geen rockster te worden.  Als mensen naar mij toe komen, dan verwijs ik naar zijn muziek. Als je gitaar wilt leren spelen, luister dan vooral niet naar “Mellow Down Easy”. Want als je dat hoort durf je nooit meer een gitaar aan te raken. Gewoon in één keer spontaan op tape gezet, geniaal gewoon.  Zijn beste opnamen vind ik die met mensen als Eddie “Cleanhead’ Vinson, Sunnyland Slim en Muddy natuurlijk. Je kon zien dat ze hem graag mochten, omdat hij zo intens en oprecht was.

Dan is het de hoogste tijd, om Joe tijd te gunnen voor zijn broodje zalm en plaats te maken voor de volgende interviewer. Hij informeert nog even of we Rien en Marion Wisse kennen en als we bevestigend antwoorden, vraagt hij om hen de groeten over te brengen.

_DSC7334

Geef hier uw commentaar